Ida Spee
Afscheid

Ik kijk op de klok. Nog anderhalf uur. Tijd voor de avondtaken. Poetsen van wc’s, schapranden, koeldeuren, vloeren en onderwijl de producten spiegelen, ze aanschuiven tot de plankrand zodat er voor het oog geen gaten vallen. De extra schoonmaakklussen zijn blijven liggen. Te veel klanten. Ben moe, heb keelpijn.
Sinds twee maanden pomp ik niet alleen, ik bieb ook. Als invaller. Net begonnen werd me bovendien een coördinatorrol voor een mini-klus in de schoot geworpen. Plots bezit ik drie baantjes. Alledrie leuk. Alledrie intensief. Alledrie verschillend. De pomp vertrouwd - waar ik eens over struikelde, doe ik nu met gemak - de bieb nieuw, de mini-klus spannend.
Ik moet een knoop doorhakken. Vanmorgen in bed was ik kwijt waar ik vandaag naartoe moest. Ik bereis de hele regio, overal is het anders, nooit reed ik zoveel kilometers. Hoe tank ik mezelf bij? Zelfs de schrijverij schiet er bij-in. Mijn echte vak. Weliswaar geen broodwinning meer, maar ik blijf het bezigen. Omdat het moet, van binnen. Omdat ik er rustig van word, voldaan. Omdat er soms nog vraag is, gelukkig.
Ik neem mijn besluit. Kijk rond in de met snoep, autospul, rookgerei gevulde shop. Nee, die zal ik niet missen. Wel de klanten, de collega’s, de plek. Altijd iets te beleven. Ik ben blij hoe het gelopen is. Er zijn saaiere manieren om je [minimum]loon te verdienen. En had ik zonder pompervaring een kans gemaakt bij de bieb?
Late klanten dienen zich aan. Een vlugge buil shag, snoep om bij te blijven, voor de zekerheid een bus olie, zin in chips, telefoontegoed op, sap voor na het sporten, alvast een volle tank. Niemand ziet mijn mijmering, niemand weet dat afscheid nadert. Nog een paar weken. En daarna? Mijn accu opladen en stilte vinden, de afstand om te schrijven, te bloggen over nieuwe avonturen, avonturen bij de bieb bijvoorbeeld. Wie weet.

Laatste keer?

“Hé, je bent er nog wel!”
De altijd haastige mevrouw met het licht Duitse accent vliegt op me op af.
“Ben niet weggeweest. Maar ik werk nog maar één, soms twee dagen hier.”
“Dat zal het zijn. Nou, leuk dat ik je weer zie.”
“Vind ik ook, ik dacht al: waar zou die mevrouw gebleven zijn?”
Ze schatert.
Je weet bij de pomp nooit of mensen terugkomen. Hoewel, dit dorp telt veel vaste klanten. De knul die door zijn hamburgerwerk ontdekte leerkracht te willen worden en sindsdien staat te stralen als-ie vertelt over zijn stageklas. De vrouw die haar pakje peuken schuldbewust bestelt en slechts één gezichtsuitdrukking lijkt te hebben: zwaargesloten. De flitsende verkoper-in-spe die vanwege de malaise overstapte van auto’s naar kleding. De rolstoeldame die charme betoont sinds ik haar knorrigheid wist te omzeilen. Het rekenwonder in driedelig pak dat trots verhaalt over uitdagende opdrachten in teamverband. De goudberingde goser die me steevast een fooitje laat. De bonkige voetbalvrouw die grijnst als ze me herkent of ze zeggen wil: ‘jij ook zo.’ Het bemodderde babyface dat - uitgezonderd winterdagen - zwaarronkend aan- en wegscheurt op zijn ‘off the road’ en verder geen vlieg kwaad doet. De voorkomende Vlaamse die een zuinig flesje water koopt. De met dranklucht omfloerste zestiger met zijn vaste voorraad C…
Blijven ze weg, dan duurt het een tijdje voordat ik ze mis en me afvraag hoe het met ze is, soms zelfs of ze nog leven. Wat dat betreft is tanken net echt. Je weet nooit of je iemand nog zult treffen. Of een ontmoeting - hoe vluchtig ook - de laatste was.
De mevrouw is klaar, loopt naar buiten.
“Tot de volgende keer en nog een fijne avond.”
Ze draait zich om, zwaait, lacht opnieuw.
De pomp helpt me leven, laat me zijn in het hier en nu. Iets anders is er niet.

Over ontdekken, kicken en bekennen

“Ik heb je gevonden.” De baas lacht.
Al een half jaar blog ik over de pomp. Niemand op de pompvloer of hoger hoorde ik erover. Tot vandaag.
“Wat vind je?”
“Leuk, maar het werk komt er wat minnetjes uit, of het weinig voorstelt.”
Haar reactie verbaast me. Ik heb zoveel opgestoken. Belicht ik dat soms onvoldoende?
Ik deed mijn intrede zonder enige kennis van brandstof, shopwaar, verkoop. Stortte me op kassakunde, multitasken, apparatentrucs. Beslechtte cijferblokkades, hoogmoed, onwetendheid. Ontdekte hoeveel nodig is om een tankstation prettig, veilig, effectief te laten draaien. Kreeg oog voor Jan en alleman… een kleurrijkere wereld dan toen ik nog fulltime schreef.
Achteraf gezien een elitaire tijd: vlotte verdiensten, gewichtige opdrachtgevers, papieren werkelijkheid. Schrijven over wat gebeurt, is anders dan er middenin staan. Ook meende ik de ultieme vrijheid te bezitten: geen managers, vaste tijden, sturende regels. Bleek eveneens een dwaling. Ik voel me vrij, vrijer dan ooit. Omdat ik opklom van nitwit naar verkoper? Dat was, is echt kicken. Zeker voor deze 55-plusser. Noch van buiten, noch van binnen blijk ik afgeschreven.
De pomp bracht me meer, veel meer: de lol van de ontmoeting, klanten helpen, hen blij laten vertrekken. Nooit geweten dat ik hier zo van kan genieten terwijl het winkelneren toch in de aders stroomt. Overgrootouders en oudtante - op een ballengooi van mijn ouderlijk huis - deden het een levenlang. Van mijn pa heb ik de energie om te sjouwen. Zonder handen uit de mouwen had hij zijn kantoorbaan niet overleefd en kan ik evenmin vooruit.
Ik verontschuldig me bij de baas. Dat ik ons werk niet onderuit wil halen. Ik ben trots. Ook opgelucht; eindelijk is mijn blog bekend. Nog een bekentenis… ik begon pas na een jaar bij de pomp met schrijven. Toen ik me ingewerkt wist en genoeg afstand had erover te verhalen. Wordt [nog even] vervolgd.

Leef!

Energiek stapt ze binnen. Klein, compact, stevige krul, niet knap volgens 90-60-90, iemand die je bijblijft. Ik zeg haar naam.
“Uuh, help me even…”
Ik noem de naam van mijn lief.
“Dan ben jij haar vriendin.”
Ik knik.
Zij en mijn lief zijn lotgenoten. Sinds de borstkanker bezoeken ze een winkel vol speciale bh’s. Een winkel die om de paar jaar een modeshow houdt, met mooi ondergoed, oogstrelende badkleding, hippe huispakken, kleurrijk nachtgoed. Een show voor en door vrouwen die kanker hebben [gehad]. Mijn lief is niet zo van mode, trends, tierlantijnen. Toch liep ze op de catwalk. Verlegen, kwetsbaar, stoer, blij. De zaal zinderde trots. Naast me zat een vrouw. Na afloop sprak ze me aan: “Hebben zij allemaal kanker?” Ik knikte. Toen zei ze: “Ik ook. Ik kom het huis niet meer uit. Mijn buurvrouw kreeg me vanavond mee. De eerste keer. Ik schaam me denk ik. Maar als ik hen zie… ze lopen daar, ze doen het… dapper. Als zij dít durven, moet ook ik naar buiten durven… toch?”
De vrouw die voor me staat, had eveneens gesprankeld. Zo vitaal dat ik me de bikini aanschafte die zij met verve had geshowd. Haar ouders, man en kinderen hadden luid voor haar geklapt. Later hoorden we dat ze weer ziek was, ernstig.
Het is stil in de shop. Niemand tankt. Niemand koopt. Niemand binnen. Alleen wij bestaan.
“Twee jaar geleden zeiden ze dat ik nog drie maanden had. Toen zijn we op vakantie gegaan. Hadden het er met de kinderen over. Je moet wel. Maar ik ben er nog. Het zit er, ik weet het, maar zolang ik leef, leef ik.”
Haar ogen dansen van lachen naar tranen en terug. De tijd duurt. Tot er een klant komt. Over de toonbank heen pakt ze mijn handen, ik de hare. Kracht, verdriet, moed. We gaan verder.

Wat blijft hangen

“Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
De man draait zich traag om. Ik haast me van buiten waar ik de wateremmers vulde toen hij aanscheurde. Opgetrokken wenkbrauwen, uitdagende lach: “Waarmee je mij van dienst kunt zijn… nou… of dit dan de goede plek is…”
Ik plant me achter de kassa: “’t Is een tankstation. Dus zeg het maar.”
Veel van wat er over de pomptoonbank gaat, is cliché. En dat is handig. Een tank‘beurt’ zou te lang duren bij onverwachte wendingen, vreemde vragen of verrassende taal. Terwijl juist wat afwijkt, blijft hangen.
Vraagt een man: “Qwee bakjusch bauwe Pammah. Pimme.” Zijn kelige klanken kan ik volgen. Toch vouwt-ie tijdens een babbelpraatje een briefje open: “K heeft een spraakgebrek. Lach hem niet uit als hij iets wil vertellen.”
Informeert een vrouw: “Waar kan ik de btw terughalen?” Hè? Oja, Ton de Ridder die elk radio-uur blaat dat je met zijn pas de btw kunt ‘terughalen’. “Hebt u een eigen zaak mevrouw?” “Nee.” “Dan kan het niet.” “Maar dat zeggen steeds.” “Klopt, toch geldt die btw alleen voor ondernemers.” “Ook stom.”
Bestelt een man: “Honderd euro Paysafe.” De zweetdruppels, het snelle pinnen, de ontwijkende blik wijt ik aan gokverslaving. Tot hij met de bon in zijn hand stamelt: “En wat moet ik nu?” Zijn computer blijkt gehackt en kan alleen ‘hersteld’ door ‘overmaking’ van een Paysafenummer. Hoezo ‘Paysafe’?
Verzucht een medewerker van de terminale thuiszorg rond de jaarwisseling wat ze haar cliënten zal wensen. Vallen vier jongelui klokslag 21.00 uur binnen om iets voor ‘ons opa’ te kopen en laten zich inpalmen door een bos bloemen: “Vindt-ie vast mooi.” Verkoopt een autodealer zijn bolide ter plekke, inclusief inname van een stapel groene flappen.
De man met zijn dubbele lach betaalt zijn peuken contant. Gelukkig geen gepin, hoef ik niet te zeggen: “U kunt hem er onderin insteken.”

Rotdag

Het prijzenbord oogt waterig, een druppel op mijn brillenglas. De ‘8’ schiet weg onder de komma ernaast. Ik trek ze er allebei uit. Pers de ‘9’ tussen de richels, prop de komma erbij. Aan de andere kant laat de prijsverhoging zich vlotter voegen, er mist een spie in de onderste richel.
Het KNMI had bewólking voorspeld. Geen regengordijn. En hoe natter buiten, hoe viezer de vloer, hoe langer ik sta te mopsen. Bovendien: álles liep fout.
De sleutel van het hangslot viel in de container. Moest ik hem tussen stapels geplette dozen zien te vissen. Twee klanten verwisseld van pomp. Sta ik me in het zweet te rekenen want de ene betaalde te veel en de andere te weinig. De ticketprinter op tilt waardoor ook de kascomputer weigert. Nauwelijks nog wisselgeld in mijn bak want iedereen in dit vermaledijde dorp heeft blijkbaar net geïnd en komt met briefjes van vijftig en honderd aanzetten. Een klant die peuken retour eist want kreeg eerder de verkeerde kleur mee. Een plens koud emmerwater over mijn schoenen, mijn enkel geschramd aan een hoekrand, mijn duimvel klem in de stofzuigerpijp. Trek ik op de valreep de tegenhoudplaat uit het schuine schap TT’s en FF’s waardoor dit goedlopend kleinspul - drie- à vierhonderd stuks - op de vloer schuift. En of de duvel ermee speelt, is het om één minuut vóór negen volle bak. Moet er getankt, getreuzeld bij de frisdrankkast, gestunteld bij het afrekenen: “O, niet genoeg saldo, dan maar een deel contant betalen en de rest pinnen.”
Ik voel mezelf sjokken als ik terugloop. Terwijl ik de twee achten van het prijzenbord weg zet voor mijn collega morgenvroeg en het rolluik laat zakken, zie ik door de alarmgesloten shopdeuren de kranten. Vergeten af te tekenen, vergeten op te ruimen, vergeten, vergeten wil ik deze dag, een uitzonderlijke dag, een wet-van-Murphydag.

Te groot

Een rode tractor knettert langs. Onwillekeurig zie ik de vader van mijn lief. Ooit liet hij me toe op één van die bakbeesten. Hij had er drie. Niet dat hij boerde, hij hobbyde. Elke dienst denk ik aan hem, aan zijn vrouw, hun kinderen, kleinkinderen; tractoren rijden in het geboortedorp van mijn lief volop.
Mysterieus dat ik hier ben beland. Ik wist toen ik solliciteerde in de stad, niet dat de baas ook elders pompte. De overstap van de ene naar de andere plek bedacht ik evenmin. Soms probeer ik me voor te stellen wat ik doe als er familieleden van mijn lief komen tanken of shoppen. Zal ik vragen hoe het ze gaat? Zal ik in mijn rol blijven? Zal ik schrikken?
Het lukt me tegenwoordig te zwijgen. Over hen, over alles. Veel te pijnlijk om taal te geven aan wat er gebeurde. Veel te nabij om verdriet, onmacht, verlangen, schuld te ontwarren. Veel te complex om te duiden waarom de contactloosheid al jaren duurt. Gelukkig hoef ik vaak niks te vertellen. Mensen vullen in vanuit hun belevingswereld of haken af bij ‘never ending’ ellende.
Er zijn er die meer weten. Zij liepen lang genoeg met ons mee, bleven luisteren, kregen oog voor het verbijsterende dat zich afspeelde in dit dorpsgezin. Een enkeling adviseerde me te schrijven. Een boek, familiekroniek, historie van leven en dood. Ik probeerde het. Vaak. Telkens schoten woorden te kort of waren ze te veel. Bovendien: waar stond ik, wat was mijn plek, kijker vanaf de zijlijn…
Ook zonder langsrijdende tractor is de familie van mijn lief er. Geen dag voorbij zonder gedachte, herinnering, emotie aan hen. Ik leerde om mijn beurt over te slaan, om niets te vinden, te zeggen, te doen. Sommige dingen zijn te groot. Wat kan simpelweg werken bij de pomp dan fijn zijn.


 

Graaien, grabbelen, grijpen

Hij heeft kolenschoppen zo groot. En net zo zwart. Rouwranden en grauwe groeven. Een hand graait in het bakje op de toonbank. Een bakje met gekleurde snoepjes. De zak waar ze in zaten, vermeldde een dag die we allang voorbij zijn. Maar dat proef je niet.
In de shop mag niets dat over de datum is. Zijn we op tijd, dan krijgt ‘t een prominente plek. Zijn we te laat, dan is ‘t voor niks. Bij de oude baas verdwenen de zakken chips, blikjes fris en zoete koeken met de noorderzon. Bij de nieuwe staat een doos in de keuken. Daarin mogen wij medewerkers grabbelen.
Er zijn klanten die zich niet laten verleiden. Linea recta rekenen ze af zonder zoekende blik of hunkerende handen. Zoals de mevrouw die wekelijks komt tanken. In haar kielzog een tweeling. De meisjes draaien slechts met hun ogen. Een uitzondering. Vrijwel geen kind kan ons snoepparadijs weerstaan: “Mama, mag ik..?”, “Papa, alsjeblief, alsjeblief…” Soms volgt - schuldinlossing voor nicotinedosis? - een ‘hier-dan-snoepzak’.
Er zijn ook stomme ouders. Blind voor het feit dat hun kind schappen doorloopt, rollen grijpt en terugkwakt, aanstekers test, koelingsdeuren opentrekt en flessen beetneemt. Eén keer houd ik me niet in: “Mag ik je wat vragen?” Het kind stopt. “Zou je met je ogen willen kijken, niet met je handen?” Het kind kijkt. “Je pakt spullen vast die andere mensen willen kopen. Zo worden ze vies.” Het kind knikt. Moeder gnuift: “Nou, nou wat streng.” Voortaan zwijg ik bij wervelwinden.
De kolenschoppenklant is mijn “Een snoepje?” vóór. Hij is niet de enige man die in de minuscule leegtes tussen de betalingshandelingen naar bevrediging tast. Vrouwen zijn anders. Na mijn uitnodiging volgt een minzaam “mmm lekker” of een kordaat “nee, dankjewel”. Was ik klant, dan zei dat ook. Er is weinig dat me kan bekoren. Ik grabbel zelden.

Over zitten en schrijven

Elk mens zwenkt in zijn leven. Maar er zijn verschillen. De ene schommelt rustig heen en weer, de ander slingert van niks naar alles, van zon naar regen, van nee naar ja. Ik ben als die ander. ‘Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt’ ofwel je kunt me alle kanten opsturen, ik neem de kleur aan van wat passeert.
Zonder te psychologiseren snap ik dat dit gezwiep voortkomt uit gemis aan identiteit. Als je niks of niemand bent én het zelf gelooft, schiet je alle kanten op. Ik verkaste eindeloos nadat ik het ouderlijk nest had verlaten; in de loop van mijn tiende onderkomen begon ik te gronden. Zo verging het me ook in de liefde. Ik hopte van tongzoeners en nachtvlinders naar halve en verkeerde vriendjes. Aanvankelijk omdat ik tegen beter weten in hoopte op heteronormalisatie. Maar zelfs toen ik al samenwoonde met de vrouw van mijn leven, koesterde ik ontsnappingsclausules via eigen bed, bankrekening, ritme. Eenzelfde rafelig patroon ontspon zich rondom werk. Zelden hield ik iets vol. Weg moest ik, weg waar ik me ongemakkelijk voelde, alles beter dan roesten. Ik ging, zonder veel rekenschap af te leggen.
En toch, toch moet ik ergens zitvlees hebben gekregen. Begon het bij de (deeltijd)studie Nederlands waarvoor ik stapels boeken moest uitlezen? Begon het bij de liefde voor mijn vrouw die zich laag na laag uitstrekte tot liefde voor mezelf? Begon het bij echt iets in de vingers, talent voor woorden, eindelijk gedolven passie?
De kameleon werd een volhouder, blijver, bijter. De baas kan op me rekenen; ik bijbaan op uur en tijd. Ondertussen lijk ik afscheid te nemen van mijn - sinds 1991 - vak. Zelden melden zich nog klanten in mijn toko, klanten die willen dat ik schrijf. Bij gebrek aan hen die ik levenslang dacht te koesteren, blog en facebook ik. Overigens ook met plezier, van A tot Z.

Een u of een jij

“Ik hoef niks. Rotweer. En dan die prijzen. Het is niks en het wordt niks.” Afgezakte schouders in verschoten jas, venijnige vinger op de pintoetsjes, lege ogen, spuugje op lip.
Zoveel klanten, zoveel reacties. Neem de - dit keer waarachtig leuke - spaaractie. Binnen het uur klinken alle variaties. Van “altijd rotzooi” tot “echt mooi, dankjewel”. Van “ben ik uitgegroeid” tot “leuk voor m’n neefje”. Van “ik heb laatst geen zegeltjes gekregen” tot “hou die dingen zelf maar, allemaal nep”.
Ook bij fouten over de toonbank, frapperen de verschillen. De ene klant grinnikt “wat staan we toch te dozen” terwijl ik de ander in stilte hoor denken ‘wat een doos’. De ene draait zich veelzeggend om na mijn excuses terwijl de andere na een fiksere misser de schouders ophaalt: “Maakt niet uit, is okee, doe je niet expres.”
Nog zoiets: u en jij. Ongeacht de leeftijd van de klant ben ik zowel het een als het ander. Ouderen in dit van oorsprong traditionele dorp beschouwen me wellicht als een vreemde of een bediende, dus ben ik een u of een jij. Voor jongeren ben ik als een oma, ver weg of vertrouwd: “Mag ik van u..?” of “Mag ik van jou..?”
In mijn eigen tut- danwel vousvoyering zwabber ik. Natuurlijk, jongeren zijn jij en ouderen u. Maar er is een grijs gebied - ergens tussen de dertig en zestig - waarin ik de ene dag neig naar formeel en de andere dag naar familiair. Waarom? Het zal de mens zijn; soms nabij, soms op afstand.
De man vóór me is een u. Hij trekt z’n pas uit het apparaat, haalt de schouders op wanneer ik hem de bon aanreik, sloft richting miezerregen. Ik krijg medelijden met hem; je zult toch zo somberen, zo boos, zo niks zijn.
“Meneer, ik hoop dat vandaag de zon nog schijnen gaat.”